KlasKrak

Thuis oefenen › Wereld

Het weer en de seizoenen: zo oefen je thuis

In het eerste leerjaar leert je kind het weer beschrijven aan de hand van vier dingen: hoe warm of koud het is, of er regen of sneeuw valt, hoeveel wolken er zijn en of het waait. Het leest een thermometer af in graden en zet wat het ziet in een tabel, zoals een weerkalender. Thuis oefen je dat het best elke ochtend, aan het raam.

Bijgewerkt op 21 oktober 2026

Wat je kind in de klas leert

  • Vier dingen om naar te kijken. De temperatuur (warm, koud, hoeveel graden), de neerslag (regen, sneeuw, hagel), de bewolking (zonnig, een paar wolken, helemaal bewolkt) en de wind (windstil, het waait, het stormt). Samen geven ze het weer: "Het is 8 graden, het regent, de lucht is grijs en het waait hard."
  • Zelf kijken. Je kind beschrijft het weer zoals het dat buiten ziet en voelt, niet alleen zoals het in het weerbericht staat. Wind zie je aan de bomen en de vlaggen, kou voel je aan je handen.
  • De thermometer. De woorden thermometer, warm, warmer, koud, kouder, vriezen en graden. Hoe hoger de kleur in het buisje staat, hoe warmer het is. Een thermometer aflezen is meten: je zoekt het getal en zegt het met het woord erbij, "12 graden". In het weerbericht staat dat als 12°.
  • Vriezen. Bij 0 graden vriest het: water wordt ijs. Op de plassen ligt dan 's ochtends vaak een laagje ijs.
  • Een weerkalender. Elke dag het weer tekenen of aankruisen in een tabel, en die daarna lezen: "Hoeveel dagen regende het deze week?" Zo leert je kind ook gegevens verzamelen en vergelijken.
  • Wat het weer met ons doet. Bij regen een regenjas en laarzen, bij kou een muts en handschoenen, bij felle zon zonnecrème. En bij mist of in het donker zien chauffeurs je minder goed.

In het leerplan Op.stap: 4.2.GL1.7 (weten dat je het weer beschrijft met de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind), 4.3.GL1.11 (het weer beschrijven zoals je het zelf waarneemt), 3.5.GL1.1 (het begrip temperatuur, met de woorden thermometer, koud(er), warm(er), vriezen en graden), 2.3.GL1.6 en 2.3.GL1.9 (temperatuur meten en een meetresultaat aflezen en noteren), 2.5.GL1.2 en 2.5.GL1.3 (gegevens in een tabel zetten en aflezen) en 4.3.GL1.12 (het verband tussen het weer en bijvoorbeeld de kleren die je draagt). De seizoenen staan pas in het tweede leerjaar in het leerplan: 4.2.GL2.7 en 4.2.GL2.8.

Zo oefen je thuis, zonder scherm

  1. Kijk elke ochtend samen naar buiten

    Vier vragen aan het raam: "Is het warm of koud? Valt er iets uit de lucht? Zie je wolken? Waait het?" Na een week stelt je kind ze zelf. Wind zie je aan de bomen, aan de was aan de lijn of aan een vlag.

  2. Hang een thermometer buiten

    Een gewone buitenthermometer met grote getallen, in de schaduw: in de zon geeft hij te veel aan. Laat je kind elke dag aflezen hoeveel graden het is, en vraag: "Is het warmer of kouder dan gisteren?"

  3. Houd een weerkalender bij

    Een week lang, elke dag op hetzelfde moment, bijvoorbeeld voor je naar school vertrekt. Teken het weer, omcirkel of het waait en schrijf de graden erbij. Op het werkblad hieronder staat er een klaar. Tel op het einde samen: hoeveel dagen was het droog?

  4. Laat je kind de kleren kiezen

    "Het is 6 graden en het regent. Wat doe je aan?" Laat je kind uitleggen waarom: de regenjas tegen de regen, de muts tegen de kou. Klopt het niet, dan voelt het dat snel genoeg buiten.

  5. Klopt het weerbericht?

    Kijk 's avonds samen naar het weerbericht op tv of op de radio, en kijk de volgende ochtend of het klopte. Zo hoort je kind de woorden die het in de klas leert: bewolkt, buien, windstil, graden.

  6. Zoek het seizoen buiten

    Bloesems en jonge blaadjes in de lente, lange dagen in de zomer, vallende bladeren in de herfst, kale bomen in de winter. Raap tijdens een wandeling iets op en vraag: "Welk seizoen is het nu? En welk komt erna?"

Waar kinderen vaak op vastlopen

  • De streepjes op de thermometer. Kinderen nemen het getal dat het dichtst bij de kleur staat, ook als het er niet op staat. Zoek eerst het getal net onder de kleur en tel dan de streepjes verder: "10, 11, 12."
  • Zon is niet altijd warm. Op een heldere winterochtend schijnt de zon en vriest het toch. Laat je kind de thermometer bekijken en niet alleen de lucht.
  • Wind kan je niet zien. Je ziet wel wat hij doet. Leer je kind kijken naar bomen, vlaggen en wolken die snel bewegen.
  • Kouder dan nul. Op een buitenthermometer staan ook getallen onder 0, maar getallen onder nul horen niet bij het eerste leerjaar. Zeg dan gewoon: "Het vriest, het is kouder dan 0 graden."
  • Na de winter. Net als bij de dagen van de week is het niet vanzelfsprekend dat het na de winter opnieuw lente wordt. Teken de seizoenen in een cirkel in plaats van op een rij.

Gratis werkblad: het weer

Vier oefeningen op één blad: de kleren bij het weer zoeken, thermometers aflezen en zelf inkleuren tot een aantal graden, de seizoenen op volgorde zetten, en een weerkalender voor een hele week, met de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind.

Download het werkblad (pdf) Eén blad A4, gratis en zonder inschrijving. Vrij te kopiëren voor thuis en in de klas.

Zo oefent KlasKrak het

Het blok Weer in KlasKrak: de temperatuur groot, gisteren, vandaag en morgen naast elkaar, en een raad over wat je aantrekt

Het blok Weer werkt met het echte weer. Bovenaan staat het weerbericht van vandaag: hoeveel graden het is, gisteren, vandaag en morgen naast elkaar, en wat je best aantrekt. Op een iPhone of iPad is dat het weer van waar je bent: de app vraagt een geschatte locatie als je kind het blok de eerste keer opent. Op Android kies je in de ouderinstellingen een gemeente, en vraagt de app nooit om de locatie.

In Het weer van vandaag leest je kind het weerbericht: welk weer is het nu, welk weer wordt het om 3 uur, gaat het straks nog regenen, welk weer wordt het morgen? Na elk antwoord hoort het een zin die het weer uitlegt. In Hoeveel graden is het? leest het een thermometer af, met een streepje per graad en een getal om de vijf, of zegt het of het warmer of kouder is dan gisteren. Een temperatuur onder nul laat de app niet aflezen: dan neemt het een uur waarop het boven nul is, of vraagt het of het warmer of kouder is. In Seizoenen op volgorde tikt het de vier seizoenen in de juiste volgorde, niet altijd vanaf de lente. Dat spel werkt ook zonder internet. De weerspelletjes probeer je twee rondes gratis uit.

Download KlasKrak in de App Store Ontdek KlasKrak op Google Play

Vragen van ouders

Wanneer beginnen de seizoenen?

Volgens de stand van de zon begint de lente rond 21 maart, de zomer rond 21 juni, de herfst rond 23 september en de winter rond 21 december. De precieze dag schuift een beetje van jaar tot jaar: in 2026 viel het begin van de lente op 20 maart, de zomer op 21 juni, de herfst op 23 september en de winter valt op 21 december. Weerkundigen, zoals het KMI, rekenen met hele maanden: de lente van 1 maart tot eind mei, de zomer van 1 juni, de herfst van 1 september en de winter van 1 december.

Moet mijn kind temperaturen onder nul kunnen lezen?

Nee. In het eerste leerjaar rekent je kind met getallen tot 20, en getallen onder nul komen veel later. Wat wel telt: weten dat het bij 0 graden vriest, en zien dat de kleur in de thermometer zakt als het kouder wordt.

Horen de seizoenen bij het eerste leerjaar?

In het leerplan Op.stap staan de namen, de begindata en de kenmerken van de seizoenen in het tweede leerjaar. Ze komen wel vanzelf ter sprake als je naar het weer en naar de natuur kijkt, en de volgorde leer je op dezelfde manier als de dagen van de week: een rij die rondloopt.

Hoe hangt het weer samen met de klok en de kalender?

Een weerkalender is een week op een rij, dus je kind oefent meteen de dagen van de week. En een weerbericht zegt vaak hoe laat het gaat regenen: "om 3 uur". Lees ook de gidsen over de dagen van de week en over klok leren kijken.

Meer gidsen: de dagen van de week, klok leren kijken en alle gidsen.