Welke letter hoor je? gratis
Het kind hoort een klank en tikt de letter die erbij hoort, uit vier.
1.5.GL1.5spelling: klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe
Voor scholen › Leerdoelen
Elk spel van KlasKrak vertrekt van de leerdoelen van het eerste leerjaar in Op.stap, het leerplan van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. Hieronder staan alle 47 spelletjes, met de doelen die elk spel echt laat oefenen.
Versie 1.5 van de app · bijgewerkt op 30 oktober 2026 · Op.stap v1.2
KlasKrak oefent 139 doelen van het eerste leerjaar, verspreid over:
Letters · Lezen · Klok · Splitsen · Rekenen · Schrijven · Weer · Dagen · Wereld · Denken
Het kind hoort een klank en tikt de letter die erbij hoort, uit vier.
1.5.GL1.5 spelling: klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principeHet kind ziet en hoort een letter en kiest het plaatje met het sleutelwoord waarin die klank zit.
1.5.GL1.5 spelling: klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe1.2.GL1.2 variaties aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn) deels Alleen een klank terugvinden in een sleutelwoord; het woord staat ook onder het plaatje.Het kind hoort een klank en tikt in een raster van 16 letters elke letter die bij die klank hoort.
1.5.GL1.5 spelling: klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe1.2.GL1.3 verschillen en gelijkenissen tussen letters onderling herkennen deels Letters onderling onderscheiden in een raster; geschreven tegenover gedrukte letters komt niet aan bod.Het kind zegt de klank van een letter hardop, hoort daarna de juiste klank en beoordeelt zichzelf.
1.2.GL1.4 alle letters en lettercombinaties geautomatiseerd lezen deels Zelfcontrole: de app luistert niet mee, het kind kijkt zichzelf na met de gesproken klank.Het kind hoort woordparen als man en maan en kiest het plaatje, zegt of twee woorden hetzelfde of anders klinken, of tikt het lange woord.
1.5.GL1.4 het verschil horen tussen korte en lange klinkers in paren (man-maan)1.2.GL1.2 variaties aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn) deels Alleen het verschil tussen korte en lange a, e en o in mkm-woorden.Het kind ziet een plaatje en kiest het geschreven woord dat erbij hoort, uit vier; de woorden volgen de gekozen letters en leestrede.
1.2.GL1.5 klankzuivere km-, mk- en mkm-woorden decoderen1.2.GL1.6 woorden die eindigen op -a, -u, -o decoderen1.2.GL1.7 woorden met ie, oe, eu, ui decoderen1.2.GL1.8 woorden met ei, ij decoderen1.2.GL1.9 woorden met ou, au decoderen1.2.GL1.10 eenlettergrepige woorden met aai, ooi, oei decoderen1.2.GL1.11 eenlettergrepige woorden met eeuw, ieuw decoderen1.2.GL1.12 eenlettergrepige woorden met achteraan ng, nk decoderen1.2.GL1.13 eenlettergrepige woorden met -ch, -cht decoderen1.2.GL1.14 eenlettergrepige woorden met vooraan sch(r)- decoderen1.2.GL1.15 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers vooraan decoderen1.2.GL1.16 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers achteraan decoderen1.2.GL1.17 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers vooraan en achteraan decoderen1.2.GL1.20 tweelettergrepige woorden met achteraan -en, -er, -el decoderen1.2.GL1.22 eenlettergrepige woorden met achteraan -d, -b decoderen1.2.GL1.23 eenlettergrepige woorden met -uw decoderen deels Met een plaatje komt alleen "duw" voor; ruw, sluw en schuw komen alleen in Welk woord hoor je? voor.Het kind hoort een woord en kiest het geschreven woord uit vier; ook woorden zonder plaatje, volgens de gekozen letters en leestrede.
1.2.GL1.5 klankzuivere km-, mk- en mkm-woorden decoderen1.2.GL1.6 woorden die eindigen op -a, -u, -o decoderen1.2.GL1.7 woorden met ie, oe, eu, ui decoderen1.2.GL1.8 woorden met ei, ij decoderen1.2.GL1.9 woorden met ou, au decoderen1.2.GL1.10 eenlettergrepige woorden met aai, ooi, oei decoderen1.2.GL1.11 eenlettergrepige woorden met eeuw, ieuw decoderen1.2.GL1.12 eenlettergrepige woorden met achteraan ng, nk decoderen1.2.GL1.13 eenlettergrepige woorden met -ch, -cht decoderen1.2.GL1.14 eenlettergrepige woorden met vooraan sch(r)- decoderen1.2.GL1.15 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers vooraan decoderen1.2.GL1.16 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers achteraan decoderen1.2.GL1.17 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers vooraan en achteraan decoderen1.2.GL1.20 tweelettergrepige woorden met achteraan -en, -er, -el decoderen1.2.GL1.22 eenlettergrepige woorden met achteraan -d, -b decoderen1.2.GL1.23 eenlettergrepige woorden met -uw decoderenHet kind hoort een woord en bouwt het klank voor klank met letterblokjes uit een voorraad met enkele stoorletters.
1.2.GL1.2 variaties aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn)1.5.GL1.5 spelling: klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe1.3.GL1.13 eenlettergrepige klankzuivere woorden (boer, pet, niet) spellen deels Het kind kiest de letters uit een voorraad in plaats van het woord uit het hoofd te schrijven.1.3.GL1.14 eenlettergrepige klankzuivere woorden (of, uur, uit) spellen deels Het kind kiest de letters uit een voorraad in plaats van het woord uit het hoofd te schrijven.Het kind leest een woord dat in klanken gehakt staat, plakt het samen, leest het hardop en beoordeelt zichzelf.
1.2.GL1.5 klankzuivere km-, mk- en mkm-woorden decoderen deels Zelfcontrole: de app hakt en plakt hardop mee en kijkt niet na wat het kind las.Een woord flitst kort op (1,5 tot 0,7 seconde) en het kind kiest het plaatje, tussen plaatjes van lijkwoorden zoals boom en boot.
1.2.GL1.5 klankzuivere km-, mk- en mkm-woorden decoderen1.2.GL1.6 woorden die eindigen op -a, -u, -o decoderen1.2.GL1.7 woorden met ie, oe, eu, ui decoderen1.2.GL1.8 woorden met ei, ij decoderen1.2.GL1.9 woorden met ou, au decoderen1.2.GL1.10 eenlettergrepige woorden met aai, ooi, oei decoderen1.2.GL1.11 eenlettergrepige woorden met eeuw, ieuw decoderen1.2.GL1.12 eenlettergrepige woorden met achteraan ng, nk decoderen1.2.GL1.13 eenlettergrepige woorden met -ch, -cht decoderen1.2.GL1.14 eenlettergrepige woorden met vooraan sch(r)- decoderen1.2.GL1.15 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers vooraan decoderen1.2.GL1.16 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers achteraan decoderen1.2.GL1.17 eenlettergrepige woorden met meerdere medeklinkers vooraan en achteraan decoderen1.2.GL1.20 tweelettergrepige woorden met achteraan -en, -er, -el decoderen1.2.GL1.22 eenlettergrepige woorden met achteraan -d, -b decoderen1.2.GL1.23 eenlettergrepige woorden met -uw decoderen deels Met een plaatje komt alleen "duw" voor; ruw, sluw en schuw komen alleen in Welk woord hoor je? voor.1.2.GL1.29 een voor hen bestemde tekst accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen) deels Accuraat en direct lezen op woordniveau, geen tekst.Het kind leest een korte zin zelf en kiest het plaatje dat past, of beantwoordt een vraagzin met ja of nee; elk woord kan aangetikt worden.
1.2.GL1.29 een voor hen bestemde tekst accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen) deels Per vraag één zin met de aangeleerde leesmoeilijkheden, geen langere tekst.1.2.GL1.32 met ondersteuning expliciet vermelde informatie uit (voor)gelezen teksten weergeven deels Wie doet wat uit één gelezen zin, met een plaatje als antwoord.1.2.GL1.18 eenlettergrepige woorden met doffe -e decoderen (de, het, een) deels De, het en een in de zinnen, zodra hun letters gekend zijn.Het kind leest een wijzerklok af en kiest de juiste tijd, uit vier (hele uren, halve uren als de ouder ze aanzet).
2.3.GL1.41 de tijd op een analoge klok tot op een uur aflezen2.3.GL1.37 het uur als aanduiding van een tijdstip2.3.GL1.39 op een analoge klok de betekenis van de grote en de kleine wijzer deels De betekenis van de wijzers zit in het aflezen, maar wordt niet apart gevraagd.Het kind hoort en ziet een heel uur en zet de kleine wijzer van de klok op dat uur.
2.3.GL1.37 het uur als aanduiding van een tijdstip2.3.GL1.39 op een analoge klok de betekenis van de grote en de kleine wijzer deels Alleen de kleine wijzer wordt gezet; de grote staat vast op de 12.2.3.GL1.41 de tijd op een analoge klok tot op een uur aflezen deels Omgekeerd: de klok zetten in plaats van aflezen.Het kind hoort een tijd en kiest de wijzerklok die ze aanwijst, uit drie.
2.3.GL1.41 de tijd op een analoge klok tot op een uur aflezen2.3.GL1.37 het uur als aanduiding van een tijdstipHet kind koppelt een digitale klok aan een wijzerklok in twee richtingen, zet een digitale klok met pijltjes, leest 16:00 als 4 uur en kiest 19:00 bij "7 uur 's avonds".
2.3.GL1.38 een digitale en een analoge klok als middel om de tijd aan te geven2.3.GL1.40 de tijd op een digitale klok tot op een uur aflezen en noteren2.3.GL1.41 de tijd op een analoge klok tot op een uur aflezen2.3.GL1.39 op een analoge klok de betekenis van de grote en de kleine wijzer deels Via de stoorzender met verwisselde wijzers.2.3.GL1.32 de begrippen voormiddag, namiddag, ochtend, middag, avond, nacht deels Ochtend, voormiddag, namiddag en avond; middag en nacht niet. Alleen met de instelling 24 uur.2.3.GL1.47 1 dag als 24 uur deels 13:00 tot 23:00 als de tweede helft van de dag; alleen met de instelling 24 uur.Het kind vult in een splitshuisje het ontbrekende deel aan, met kralen erbij (tot 5, 10 of 20).
2.1.GL1.20 de splitsingen tot en met 10 paraat kennen2.1.GL1.22 getallen tot en met 10 samenstellenHet kind vult de hele splitstrap van een getal tot 10 in, rij per rij in willekeurige volgorde.
2.1.GL1.20 de splitsingen tot en met 10 paraat kennen2.1.GL1.22 getallen tot en met 10 samenstellenHet kind rekent optel- en aftreksommen uit tot 5, 10 of 20, met kralen erbij.
2.2.GL1.16 de optellingen en aftrekkingen tot en met 20 paraat kennen2.2.GL1.19 E +/- E zonder het tiental te overschrijden (tot en met 10)2.2.GL1.20 TE +/- E zonder het tiental te overschrijden deels Alleen bij Rekenen tot 20.2.2.GL1.21 E + E en TE – E met tiental overschrijden, door de tweede term te splitsen deels Alleen bij Rekenen tot 20, en het kind geeft de uitkomst zonder de splitsing van de tweede term te noteren.Het kind zoekt hoeveel er nog bij moet om tot een getal te komen, meestal tot 10, met kralen.
2.2.GL1.26 het verschil bepalen tot een volgend of vorig tiental (7 + … = 10)2.1.GL1.20 de splitsingen tot en met 10 paraat kennen deels Vooral de splitsingen van 10, als aanvulsom.Het kind vult een ontbrekend getal in op een stuk getallenlijn, of tikt de plaats van een getal op een lege getallenlijn.
2.1.GL1.3 het begrip getallenas2.1.GL1.18 getallen (≤ 20) vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas deels Ordenen en plaatsen op de getallenas; vergelijken zit in Krokodil.2.1.GL1.14 tot en met 20 tellen, doortellen en terugtellen deels Door- en terugtellen om een gat in een stuk getallenlijn te vullen.Het kind kiest <, > of = tussen twee getallen of twee aantallen (in een tienveld), en = of ≠ tussen een som en een getal.
2.1.GL1.2 de wiskundige notaties =, ≠, <, > (tussen getallen)2.1.GL1.13 (on)gestructureerde aantallen (≤ 20) vergelijken en ordenen2.2.GL1.8 het gelijkheidsteken als aanduiding voor een wiskundige gelijkheid2.1.GL1.17 aantallen (≤ 20) vergelijken en ordenen met één-één-relatie of groeperen deels Twee aantallen vergelijken met één-één-relatie; ordenen van meer dan twee niet.2.1.GL1.18 getallen (≤ 20) vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas deels Getallen vergelijken; plaatsen op de getallenas zit in Getallenlijn.2.2.GL1.28 de wiskundige notaties +, -, ( ), =, ≠ deels =, ≠, + en -; haakjes niet.Het kind telt geld, legt een bedrag met munten en briefjes, en wisselt in twee richtingen.
2.3.GL1.27 de waarde van de briefjes van 5, 10, 20 euro en de munten van 1 en 2 euro2.3.GL1.29 handelend een bedrag samenstellen2.3.GL1.31 de maateenheid en notatie euro (€)2.3.GL1.28 tot op 1 euro nauwkeurig betalen, wisselen en teruggeven deels Wisselen; betalen en teruggeven zitten in Winkeltje.Het kind betaalt precies, rekent de totaalprijs van twee artikelen uit en zegt hoeveel het terugkrijgt.
2.3.GL1.30 de totaalprijs van artikelen met ronde prijzen berekenen2.3.GL1.29 handelend een bedrag samenstellen2.3.GL1.31 de maateenheid en notatie euro (€)2.3.GL1.28 tot op 1 euro nauwkeurig betalen, wisselen en teruggeven deels Betalen en teruggeven; wisselen zit in Hoeveel geld?2.2.GL1.26 het verschil bepalen tot een volgend of vorig tiental (7 + … = 10) deels Teruggeven door aan te vullen tot 5, 10 of 20.Een getalbeeld (kwadraatbeeld, dobbelsteen, vingers, eierdoos) flitst twee seconden en het kind kiest het aantal; of het kiest het beeld bij een gehoord of geschreven getal.
2.1.GL1.19 gestructureerde aantallen (getalbeelden) tot 10 paraat kennen2.1.GL1.10 het verband tussen telwoorden tot en met 20, getalnotatie en aantal2.1.GL1.21 gestructureerde aantallen (≤ 20) herkennen en gebruiken deels Gestructureerde aantallen tot 20 herkennen; gebruiken voor splitsingen en bewerkingen niet.Het kind werkt met tienstaven en blokjes in een T|E-tabel: hoeveel is dit, bouw het getal, maak een tiental, schrijf het getal en tiental of eenheid (alleen bij Rekenen tot 20).
2.1.GL1.1 de begrippen en notaties eenheden (E) en tientallen (T)2.1.GL1.6 een aantal (≤ 20) splitsen in een tiental en eenheden en koppelen aan telwoord en getalnotatie2.1.GL1.7 de waarde van een cijfer volgens zijn positie (≤ 20)2.1.GL1.8 het onderscheid tussen een tiental en een eenheid (≤ 20)2.1.GL1.9 de afspraak dat het tiental eerst geschreven wordt (≤ 20)2.1.GL1.23 getallen tot en met 20 splitsen en samenstellen in een tiental en eenheden2.1.GL1.12 natuurlijke getallen (≤ 20) lezen en schrijven deels Getallen tot 20 lezen, en schrijven door de cijfers aan te tikken.Het kind zet patronen van cirkels, driehoeken, vierkanten en rechthoeken verder, vult ze op, maakt ze na, kiest de patrooneenheid en zet groeipatronen voort.
2.4.GL1.4 herhalende en veranderende patronen, de eenheid2.4.GL1.10 herhalende patronen namaken, verderzetten en opvullen2.4.GL1.12 bij een veranderend patroon de verandering herkennen en beschrijven2.4.GL1.13 veranderende patronen verderzetten door de verandering toe te passen2.4.GL1.11 bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen deels Het kind kiest de patrooneenheid; zelf benoemen kan de app niet nakijken.In een rij aan een ijskraam tikt het kind de zoveelste (tot twintigste), tikt het er zoveel, of kiest het welke plaats een dier heeft.
2.1.GL1.15 de rangtelwoorden eerste tot en met twintigste2.1.GL1.16 getallen (≤ 20) als aanduiding voor een rangordeHet kind meet en leest af in m, l en kg: meterlatten tellen, meetlint, maatemmer, gieten, balans, afwegen, weegschaal, ordenen en een vraagstukje.
2.3.GL1.2 meten is nagaan hoe vaak de maateenheid in de grootheid gaat2.3.GL1.3 een meting geeft aan in welke mate een grootheid aanwezig is: metingen rangschikken2.3.GL1.10 meetresultaten ordenen (seriëren)2.3.GL1.13 de maateenheid meter (m)2.3.GL1.14 de maateenheid liter (l)2.3.GL1.16 ook de lengte van gebroken, gebogen of grillige lijnen kan gemeten worden2.3.GL1.20 onderzoeken of de hoeveelheid vloeistof in een recipiënt ook de inhoud is2.3.GL1.22 de maateenheid kilogram (kg)2.3.GL1.25 met een balans en een weegschaal tot op 1 kg wegen en afwegen2.6.GL1.4 vraagstukken (≤ 20) over één grootheid: lengte, inhoud, massa2.3.GL1.6 meten en metend rekenen voor lengte, inhoud, massa, geld, tijd, temperatuur deels Lengte, inhoud en massa; de andere grootheden zitten elders of niet.2.3.GL1.8 een meetinstrument correct hanteren deels Het kind kiest wie op een tekening goed meet; zelf hanteren kan alleen in de klas.2.3.GL1.9 een meetresultaat correct aflezen en noteren deels Aflezen wel, noteren niet.2.3.GL1.11 de begrippen lengte, hoogte, diepte en afstand deels Lengte, hoogte en afstand; diepte niet.2.3.GL1.17 een meetinstrument voor lengte kiezen en een lengte tot op 1 m meten deels Een lengte tot op 1 m meten; het instrument kiezen zit in Zwaar, lang of vol?2.3.GL1.19 een meetinstrument voor inhoud kiezen en een inhoud tot op 1 l meten deels Een inhoud tot op 1 l meten; het instrument kiezen zit in Zwaar, lang of vol?Het kind trekt een kleine letter in schoolschrift over tussen de lijnen; de vorm wordt nagekeken.
1.3.GL1.5 kleine letters en leestekens volgens een correcte route schrijven binnen een volledige liniatuur deels Overtrekken in de liniatuur; de route wordt niet voorgedaan of nagekeken, en leestekens komen niet voor.Het kind schrijft een kleine letter drie keer: één keer over, twee keer zelf; de vorm wordt nagekeken.
1.3.GL1.5 kleine letters en leestekens volgens een correcte route schrijven binnen een volledige liniatuur deels Zelf schrijven in de liniatuur, vorm nagekeken; de route niet, en leestekens komen niet voor.Het kind schrijft cijfers en de tekens + − = ≠ < > drie keer: een bolletje toont de route, dan overtrekken, dan zelf; de vorm wordt nagekeken.
1.3.GL1.4 cijfers en rekentekens volgens een correcte route schrijven binnen een volledige liniatuur deels De route wordt voorgedaan, maar alleen de vorm wordt nagekeken.Het kind kiest bij het echte weerbericht welk weer het nu, straks of morgen is, of het straks regent, en welk woord bij het weerteken hoort.
4.2.GL1.7 het weer wordt beschreven met temperatuur, neerslag, bewolking en wind deels Neerslag en bewolking via het weerteken; temperatuur zit in Hoeveel graden is het? en wind komt niet voor.Het kind leest de temperatuur af op een thermometer, voor nu en straks, of zegt of het warmer of kouder is dan gisteren.
3.5.GL1.1 het begrip de temperatuur4.2.GL1.7 het weer wordt beschreven met temperatuur, neerslag, bewolking en wind deels Alleen het kenmerk temperatuur.2.3.GL1.9 een meetresultaat correct aflezen en noteren deels Een thermometer aflezen; noteren niet.Het kind zet de vier seizoenen op volgorde, telkens vanaf een ander seizoen. Geen doel van het 1ste leerjaar: de seizoenen zijn 4.2.GL2.7–8, 2de leerjaar.
Geen doel van het 1ste leerjaar.
Het kind tikt de dagen van de week in de juiste volgorde, vanaf maandag.
2.3.GL1.42 de dagen van de week in volgorde opzeggen en gebruiken om gebeurtenissen te situeren deels De dagen in volgorde; gebeurtenissen situeren zit in Welke dag komt wanneer?Het kind zegt welke dag na of voor een dag komt, wat gisteren, morgen, eergisteren of overmorgen is, en wanneer een gebeurtenis op een weekstrook valt.
2.3.GL1.42 de dagen van de week in volgorde opzeggen en gebruiken om gebeurtenissen te situeren2.3.GL1.34 de begrippen eergisteren, overmorgen2.3.GL1.43 een dagplanning en een weekkalender functioneel gebruiken deels Een weekstrook lezen; een dagplanning niet.Het kind hoort de naam van een dag en kiest het geschreven woord.
2.3.GL1.42 de dagen van de week in volgorde opzeggen en gebruiken om gebeurtenissen te situeren deels Alleen de namen van de dagen herkennen; de volgorde zit in de andere twee spellen.Het kind tikt bij 40 voorwerpen de juiste bak: restafval, PMD, papier en karton of groenafval.
3.2.GL1.4 de categorieën restafval, PMD, papier en karton, groenafval3.2.GL1.5 afval sorteren in restafval, PMD, papier en karton, groenafval3.2.GL1.1 het begrip het sorteren deels Sorteren op soort afval; zelf verwoorden waarom kan de app niet nakijken.Het kind zegt of eten gezond of ongezond is, met de voedingsdriehoek als hulp, tikt wat gezond is, kiest de gezonde drank en herkent peulvruchten, zaden en olie of vet.
3.2.GL1.13 verschillende voedingsmiddelen kennen3.2.GL1.14 voedingsmiddelen indelen in gezond en ongezond9-1.2.GL1.1 het begrip de peulvruchten9-1.2.GL1.2 de begrippen de oliën en de vetten9-1.2.GL1.10 het begrip de zaden9-1.2.GL1.3 met de voedingsdriehoek gezonde voedingsmiddelen identificeren9-1.2.GL1.4 met de voedingsdriehoek ongezonde voedingsmiddelen identificeren deels Snoep en ander ongezond eten wel; rood vlees, dat Op.stap als voorbeeld noemt, bewust niet (geen eenduidig antwoord).Het kind herkent verkeersborden aan hun betekenis, tikt het stopbord en de stopstreep, zegt wat een fietsbel of claxon betekent, tikt een hulpdienst en beslist of het mag oversteken.
9-1.1.GL1.1 de stopstreep herkennen9-1.1.GL1.2 de betekenis van de fietsbel en de claxon9-1.1.GL1.4 gebodsborden herkennen, waaronder D1, D7, D10, D119-1.1.GL1.5 verbodsborden herkennen, waaronder C3, C11, C199-1.1.GL1.3 de betekenis van de bel- en lichtsignalen van hulpdiensten deels Een aankomende hulpdienst laten voorgaan, ook bij groen; de sirene klinkt niet (voorlopig uit).9-1.1.GL1.6 het bord B5 benoemen: stopbord deels Het stopbord herkennen bij zijn naam; zelf benoemen kan de app niet nakijken.Het kind sorteert in zoogdier, vis of plant, tikt lichaamsdelen aan op een koe, hond of vis, kiest welk dier iets heeft om iets te doen, en zegt of een jong uit de buik of uit een ei komt.
3.1.GL1.4 de classificatie fauna (zoogdieren, vissen) en flora3.1.GL1.2 zoogdieren beschrijven op basis van hun bouw (kop, romp, poten, staart, vacht)3.1.GL1.3 vissen beschrijven op basis van hun bouw (vinnen, schubben, kieuwen)3.1.GL1.5 de levenscyclus van zoogdieren deels Levend geboren of uit een ei, en jong bij volwassen dier; de volgorde van de levenscyclus niet.3.2.GL1.7 het begrip de wervelkolom deels De wervelkolom aanwijzen bij de hond; bij de mens niet.Het kind tikt delen van een plant aan, zoekt de zaadjes in een vrucht, zegt of iets een vrucht of een zaad is, en vult de kringloop van een boon aan.
3.1.GL1.1 planten beschrijven op basis van hun bouw (wortel, stengel of stam, blad, bloem, vrucht, zaad)3.2.GL1.8 de begrippen de stam, de vrucht, het zaadHet kind leest een programma van pijlen, legt zelf pijlen om het robotje naar de batterij te brengen, test het en zoekt het foutje in een programma.
8.1.GL1.4 een lineair algoritme ontwerpen, testen en debuggen: algoritme, sequentie2.4.GL1.14 pictogrammen die een richting aanduiden lezen en gebruikenHet kind sorteert logische blokken op vorm, kleur of grootte, met "niet" en tot twee kenmerken, zoekt het blok dat niet past, vult een kruistabel en past een als-dan-regel toe.
2.4.GL1.25 objecten sorteren volgens 1 of 2 criteria2.4.GL1.24 als … dan … uitspraken gebruiken deels Een als-dan-regel toepassen; zelf formuleren kan de app niet nakijken.3.2.GL1.1 het begrip het sorteren deels Sorteren op een kenmerk; de app verwoordt het waarom, het kind niet.Het kind zoekt vlakke figuren en ruimtefiguren, ook gedraaid, groot of klein en in verschillende soorten, koppelt een voorwerp aan een vorm, lost vormraadsels op en kiest welk stuk precies in een gat past.
2.4.GL1.2 de driehoek, de rechthoek, het vierkant, de cirkel2.4.GL1.3 de kubus, de balk, de bol, de piramide, de kegel2.4.GL1.7 ruimtefiguren herkennen, benoemen en sorteren, ook in andere oriëntaties en groottes deels Op beeld in plaats van handelend; herkennen en benoemen, niet zelf sorteren.2.4.GL1.8 vlakke figuren herkennen, benoemen en sorteren, ook andere oriëntaties, groottes en types deels Op beeld in plaats van handelend; ook alle soorten driehoeken.2.4.GL1.1 de begrippen vlak, gebogen deels Vlak en gebogen in de raadsels.2.4.GL1.5 recht, gebogen, punt, lijn, hoek bij het beschrijven van vlakke figuren deels Het kind begrijpt de woorden in de raadsels; zelf beschrijven niet.2.4.GL1.6 recht, vlak, gebogen, punt, lijn, hoek bij het beschrijven van ruimtefiguren deels Het kind begrijpt de woorden in de raadsels; zelf beschrijven niet.2.4.GL1.21 congruente figuren (gelijke vorm en grootte) identificeren deels Op beeld: welk stuk past precies in het gat.2.4.GL1.9 meetkundige objecten opdelen in en samenstellen met vlakke figuren deels Samenstellen met één stuk in een gat; geen echte tangram.Het kind kiest wat het in de spiegel of het water ziet, legt het spiegelbeeld met blokjes en zoekt welke tekening dichtgeplooid op elkaar past.
2.4.GL1.26 het begrip spiegelbeeld2.4.GL1.23 symmetrie in eenvoudige figuren herkennen2.4.GL1.20 eenvoudige spiegelbeelden met materiaal leggen m.b.v. een (geo)spiegel deels Leggen met blokjes op een scherm; een echte geospiegel hanteren niet.Zonder getallen: het kind leest een balans, beslist wat na een handeling evenveel blijft, vergelijkt linten, kiest instrument en eenheid (m, l, kg) en vergelijkt met 1 kg, 1 l of 1 m.
2.3.GL1.1 we meten geen objecten maar grootheden (lengte, inhoud, massa)2.3.GL1.3 een meting geeft aan in welke mate een grootheid aanwezig is: metingen rangschikken2.3.GL1.4 conservatie van lengte, inhoud en massa2.3.GL1.7 een gepast meetinstrument en een geschikte maateenheid kiezen2.3.GL1.13 de maateenheid meter (m)2.3.GL1.14 de maateenheid liter (l)2.3.GL1.22 de maateenheid kilogram (kg)2.3.GL1.23 referentiematen voor massa2.3.GL1.10 meetresultaten ordenen (seriëren) deels Twee of drie dingen vergelijken; een langere rij ordenen zit in Meten.2.3.GL1.15 referentiematen en referentiepunten voor lengte en inhoud deels Referentiematen (deur, melkpak, meetlat); referentiepunten niet.2.3.GL1.16 ook de lengte van gebroken, gebogen of grillige lijnen kan gemeten worden deels Een touw in bochten of opgerold blijft even lang.2.3.GL1.21 referentiematen voor lengte en inhoud gebruiken om te schatten deels Vergelijken met de referentiemaat; zelf schatten en daarna meten niet.2.3.GL1.26 referentiematen voor massa gebruiken om te schatten deels Vergelijken met het pak suiker van 1 kg; zelf schatten en daarna wegen niet.2.3.GL1.25 met een balans en een weegschaal tot op 1 kg wegen en afwegen deels De balans aflezen; wegen en afwegen zit in Meten.Zoek je een bepaald doel? Hier staan ze per leergebied, met de spelletjes die het oefenen. Een doel met deels wordt in geen enkel spel volledig geoefend.
| Natuurlijke getallen | |
|---|---|
2.1.GL1.1 | De leerlingen kennen de begrippen en wiskundige notaties: eenheden (E), tientallen (T). Tientallen en eenheden |
2.1.GL1.2 | De leerlingen kennen de wiskundige notaties: =, ≠, <, > (tussen getallen). Krokodil |
2.1.GL1.3 | De leerlingen kennen het begrip: getallenas. Getallenlijn |
2.1.GL1.6 | De leerlingen kunnen een (on)gestructureerd aantal (≤ 20) splitsen in een tiental en eenheden en koppelen aan het telwoord en de getalnotatie (in alle richtingen). Tientallen en eenheden |
2.1.GL1.7 | De leerlingen kennen de waarde van een cijfer in getallen (≤ 20) aan de hand van zijn positie in het plaatswaardesysteem. Tientallen en eenheden |
2.1.GL1.8 | De leerlingen kennen bij getallen (≤ 20) het onderscheid tussen een tiental en een eenheid. Tientallen en eenheden |
2.1.GL1.9 | De leerlingen kennen bij getallen (≤ 20) de afspraak dat het tiental eerst geschreven wordt. Tientallen en eenheden |
2.1.GL1.10 | De leerlingen kennen het verband tussen telwoorden tot en met 20, getalnotatie en aantal. Hoeveel zie je? |
2.1.GL1.12 deels | De leerlingen kunnen natuurlijke getallen (≤ 20) lezen en schrijven. Tientallen en eenheden |
2.1.GL1.13 | De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen (≤ 20) vergelijken en ordenen. Krokodil |
2.1.GL1.14 deels | De leerlingen kunnen tot en met 20 tellen, doortellen en terugtellen met eenheden. Getallenlijn |
2.1.GL1.15 | De leerlingen kennen de rangtelwoorden eerste tot en met twintigste. De hoeveelste? |
2.1.GL1.16 | De leerlingen kennen natuurlijke getallen (≤ 20) als aanduiding voor een rangorde. De hoeveelste? |
2.1.GL1.17 deels | De leerlingen kunnen (on)gestructureerde aantallen (≤ 20) vergelijken en ordenen (seriëren) van weinig naar veel (of omgekeerd) door gebruik te maken van één-één-relatie of groeperen. Krokodil |
2.1.GL1.18 deels | De leerlingen kunnen getallen (≤ 20) vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas. Getallenlijn, Krokodil |
2.1.GL1.19 | De leerlingen kennen gestructureerde aantallen (getalbeelden) tot 10 paraat. Hoeveel zie je? |
2.1.GL1.20 | De leerlingen kennen paraat de splitsingen tot en met 10. Splitshuisje, Alle splitsingen, Hoeveel erbij? |
2.1.GL1.21 deels | De leerlingen kunnen gestructureerde aantallen (≤ 20) herkennen en gebruiken i.f.v. splitsingen en bewerkingen. Hoeveel zie je? |
2.1.GL1.22 | De leerlingen kunnen getallen tot en met 10 samenstellen i.f.v. getalbegrip en bewerkingen. Splitshuisje, Alle splitsingen |
2.1.GL1.23 | De leerlingen kunnen getallen tot en met 20 splitsen en samenstellen in een tiental en eenheden i.f.v. getalbegrip en bewerkingen. Tientallen en eenheden |
| Begrippen, begripsvorming, wiskundige notaties en conventies, eigenschappen van en relaties tussen bewerkingen | |
2.2.GL1.8 | De leerlingen kennen het gelijkheidsteken als aanduiding voor een wiskundige gelijkheid. Krokodil |
2.2.GL1.28 deels | De leerlingen kennen de wiskundige notaties: +, -, ( ), =, ≠. Krokodil |
| Hoofdrekenen: standaardprocedures | |
2.2.GL1.16 | De leerlingen kennen de optellingen en aftrekkingen tot en met 20 paraat. Plus en min |
2.2.GL1.19 | De leerlingen kunnen optellingen en aftrekkingen (tot en met 10) van het type E +/- E zonder het tiental te overschrijden, uitvoeren. Plus en min |
2.2.GL1.20 deels | De leerlingen kunnen optellingen en aftrekkingen van het type TE +/- E zonder het tiental te overschrijden, uitvoeren naar analogie met E +/- E. Plus en min |
2.2.GL1.21 deels | De leerlingen kunnen optellingen van het type E + E en aftrekkingen van het type TE – E waarbij het tiental overschreden wordt, uitvoeren door de tweede term te splitsen. Plus en min |
| Hoofdrekenen: handig rekenen | |
2.2.GL1.26 | De leerlingen kunnen voor optellen/aftrekken (≤ 20) het verschil bepalen tot een volgend/vorig tiental. Hoeveel erbij?, Winkeltje |
| Meetinzichten en meetvaardigheden | |
2.3.GL1.1 | De leerlingen kennen het inzicht dat we geen objecten, maar grootheden (zoals lengte, inhoud, massa) van objecten meten. Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.2 | De leerlingen kennen het inzicht dat meten het bepalen van een verhouding is: bij een meting gaan we na hoe vaak de maateenheid in de te meten grootheid gaat. Meten |
2.3.GL1.3 | De leerlingen kennen het principe dat een meting aangeeft in welke mate een bepaalde grootheid aanwezig is, waardoor metingen gerangschikt kunnen worden. Meten, Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.4 | De leerlingen kennen het principe van conservatie: sommige handelingen veranderen de lengte, inhoud of massa van een object niet, ook al lijkt dat op het eerste gezicht wel zo. Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.6 deels | De leerlingen kunnen meten en metend rekenen voor lengte, oppervlakte en inhoud, massa, geld, tijdstip en tijdsduur, temperatuur. Meten |
2.3.GL1.7 | De leerlingen kunnen een gepast meetinstrument en een geschikte maateenheid kiezen. Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.8 deels | De leerlingen kunnen een meetinstrument correct hanteren. Meten |
2.3.GL1.9 deels | De leerlingen kunnen een meetresultaat correct aflezen en noteren. Meten, Hoeveel graden is het? |
2.3.GL1.10 | De leerlingen kunnen meetresultaten ordenen (seriëren). Meten, Zwaar, lang of vol? |
| Lengte – oppervlakte – inhoud/volume | |
2.3.GL1.11 deels | De leerlingen kennen de begrippen: lengte, hoogte, diepte en afstand. Meten |
2.3.GL1.13 | De leerlingen kennen de maateenheden en hun wiskundige notaties: meter (m). Meten, Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.14 | De leerlingen kennen de maateenheden en hun wiskundige notaties: liter (l). Meten, Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.15 deels | De leerlingen kennen referentiematen en referentiepunten voor lengte en inhoud. Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.16 | De leerlingen kennen het principe dat de lengte ook van gebroken, gebogen of grillige lijnen kan gemeten worden. Meten, Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.17 deels | De leerlingen kunnen een geschikt meetinstrument voor lengte kiezen en een lengte tot op 1 m nauwkeurig meten. Meten |
2.3.GL1.19 deels | De leerlingen kunnen een geschikt meetinstrument voor inhoud kiezen en een inhoud tot op 1 l nauwkeurig meten. Meten |
2.3.GL1.20 | De leerlingen kunnen onderzoeken of de hoeveelheid vloeistof die een recipiënt bevat, ook de inhoud van het recipiënt is. Meten |
2.3.GL1.21 deels | De leerlingen kunnen referentiematen voor lengte en inhoud gebruiken om een schatting te maken en de schatting vergelijken met het meetresultaat. Zwaar, lang of vol? |
| Massa | |
2.3.GL1.22 | De leerlingen kennen de maateenheden en hun wiskundige notaties: kilogram (kg). Meten, Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.23 | De leerlingen kennen referentiematen en referentiepunten voor de gekende maateenheden van massa. Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.25 | De leerlingen kunnen een balans en een weegschaal gebruiken om een massa tot op 1 kg nauwkeurig te wegen en af te wegen. Meten, Zwaar, lang of vol? |
2.3.GL1.26 deels | De leerlingen kunnen referentiematen voor de gekende maateenheden van massa gebruiken om een schatting te maken en de schatting vergelijken met het meetresultaat. Zwaar, lang of vol? |
| Geld | |
2.3.GL1.27 | De leerlingen kennen de waarde van de bankbiljetten van 5 euro, 10 euro en 20 euro en de muntstukken van 1 euro en 2 euro. Hoeveel geld? |
2.3.GL1.28 deels | De leerlingen kunnen in concrete situaties tot op 1 euro nauwkeurig betalen, wisselen en teruggeven. Hoeveel geld?, Winkeltje |
2.3.GL1.29 | De leerlingen kunnen handelend een bedrag samenstellen met de gekende bankbiljetten en muntenstukken. Hoeveel geld?, Winkeltje |
2.3.GL1.30 | De leerlingen kunnen de totaalprijs van verschillende artikelen (met ronde prijzen) berekenen. Winkeltje |
2.3.GL1.31 | De leerlingen kennen de maateenheid en wiskundige notatie: euro (€). Hoeveel geld?, Winkeltje |
| Tijdstip en tijdsduur | |
2.3.GL1.32 deels | De leerlingen kennen de begrippen: voormiddag, namiddag, ochtend, middag, avond, nacht. Digitale klok |
2.3.GL1.34 | De leerlingen kennen de begrippen: eergisteren, overmorgen. Welke dag komt wanneer? |
2.3.GL1.37 | De leerlingen kennen het uur als aanduiding van een tijdstip. Hoe laat is het?, Zet de klok, Welke klok hoor je? |
2.3.GL1.38 | De leerlingen kennen een digitale en een analoge klok als middel om de tijd aan te geven [I/F]. Digitale klok |
2.3.GL1.39 deels | De leerlingen kennen op een analoge klok de betekenis van de grote en de kleine wijzer. Hoe laat is het?, Zet de klok, Digitale klok |
2.3.GL1.40 | De leerlingen kunnen de tijd op een digitale klok tot op een uur nauwkeurig aflezen en noteren. Digitale klok |
2.3.GL1.41 | De leerlingen kunnen de tijd op een analoge klok tot op een uur nauwkeurig aflezen. Hoe laat is het?, Zet de klok, Welke klok hoor je?, Digitale klok |
2.3.GL1.42 | De leerlingen kunnen de dagen van de week in de juiste volgorde opzeggen en gebruiken om gebeurtenissen in de tijd te situeren (tijdspanne van een week). Zet de week op volgorde, Welke dag komt wanneer?, Welke dag hoor je? |
2.3.GL1.43 deels | De leerlingen kunnen een dagplanning en een weekkalender functioneel gebruiken. Welke dag komt wanneer? |
2.3.GL1.47 deels | De leerlingen kennen 1 dag als 24 uur. Digitale klok |
| Vormleer | |
2.4.GL1.1 deels | De leerlingen kennen de begrippen: vlak, gebogen. Vormenjacht |
2.4.GL1.2 | De leerlingen kennen de begrippen: de driehoek, de rechthoek, het vierkant, de cirkel. Vormenjacht |
2.4.GL1.3 | De leerlingen kennen de begrippen: de kubus, de balk, de bol, de piramide, de kegel. Vormenjacht |
2.4.GL1.4 | De leerlingen kennen de begrippen: herhalende en veranderende patronen, de eenheid. Wat komt erna? |
2.4.GL1.5 deels | De leerlingen kunnen de begrippen recht, gebogen, punt, lijn, hoek gebruiken bij het beschrijven van vlakke figuren. Vormenjacht |
2.4.GL1.6 deels | De leerlingen kunnen de begrippen recht, vlak, gebogen, punt, lijn, hoek gebruiken bij het beschrijven van ruimtefiguren. Vormenjacht |
2.4.GL1.7 deels | De leerlingen kunnen handelend ruimtefiguren herkennen, benoemen en sorteren waarbij andere oriëntaties en groottes voorkomen. Vormenjacht |
2.4.GL1.8 deels | De leerlingen kunnen vanuit handelen vlakke figuren herkennen, benoemen en sorteren waarbij andere oriëntaties, groottes en verschillende types van een vlakke figuur voorkomen. Vormenjacht |
2.4.GL1.9 deels | De leerlingen kunnen vanuit handelen meetkundige objecten opdelen in en samenstellen met vlakke figuren. Vormenjacht |
2.4.GL1.10 | De leerlingen kunnen herhalende patronen met meetkundige objecten/figuren namaken, verderzetten en opvullen. Wat komt erna? |
2.4.GL1.11 deels | De leerlingen kunnen bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen. Wat komt erna? |
2.4.GL1.12 | De leerlingen kunnen bij een veranderend patroon de verandering herkennen en beschrijven. Wat komt erna? |
2.4.GL1.13 | De leerlingen kunnen veranderende patronen met meetkundige objecten/figuren maken en verderzetten door bij het aanvullen de verandering zelf toe te passen. Wat komt erna? |
| Plaatsbepaling | |
2.4.GL1.14 | De leerlingen kunnen pictogrammen die onder meer een richting aanduiden lezen en gebruiken. Robotje |
| Meetkundige transformaties | |
2.4.GL1.20 deels | De leerlingen kunnen eenvoudige spiegelbeelden met materiaal leggen m.b.v. een (geo)spiegel. Spiegelen |
2.4.GL1.26 | De leerlingen kennen het begrip: het spiegelbeeld. Spiegelen |
| Meetkundige relaties | |
2.4.GL1.21 deels | De leerlingen kunnen met concreet materiaal figuren met verschillende oriëntatie en locatie identificeren die congruent (gelijke vorm en gelijke grootte) zijn. Vormenjacht |
2.4.GL1.23 | De leerlingen kunnen symmetrie in eenvoudige figuren herkennen. Spiegelen |
| Logica en verzamelingen | |
2.4.GL1.24 deels | De leerlingen kunnen als ... dan ... uitspraken gebruiken. Blokken sorteren |
2.4.GL1.25 | De leerlingen kunnen objecten sorteren op basis van een gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria. Blokken sorteren |
| Vraagstukken | |
2.6.GL1.4 | De leerlingen kunnen met natuurlijke getallen ≤ 20 vraagstukken oplossen over één grootheid: lengte, inhoud, massa. Meten |
| Vlot en vloeiend lezen | |
|---|---|
1.2.GL1.2 | De leerlingen kunnen variaties aan klanken in mk-, km- en mkm-woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn). Letter en plaatje, Kort of lang?, Bouw het woord |
1.2.GL1.3 deels | De leerlingen kunnen verschillen en gelijkenissen tussen letters onderling en tussen geschreven en gedrukte letters herkennen. Zoek de letter |
1.2.GL1.4 deels | De leerlingen kunnen alle letters (korte klinkers, lange klinkers, tweetekenklinkers, medeklinkers) en lettercombinaties geautomatiseerd lezen. Zeg de klank |
1.2.GL1.5 | De leerlingen kunnen klankzuivere km, mk, mkm woorden decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Hakken en plakken, Flitslezen |
1.2.GL1.6 | De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden die eindigen op -a, -u, -o decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.7 | De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklinkers ie, oe, eu, ui decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.8 | De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklinkers ei, ij decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.9 | De leerlingen kunnen een- en tweelettergrepige woorden met tweetekenklinkers ou, au decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.10 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met aai, ooi, oei decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.11 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met eeuw, ieuw decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.12 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met achteraan ng, nk decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.13 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met -ch, -cht decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.14 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met vooraan sch(r)- decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.15 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden decoderen met meerdere medeklinkers vooraan. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.16 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden decoderen met meerdere medeklinkers achteraan. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.17 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden decoderen met meerdere medeklinkers vooraan en achteraan. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.18 deels | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met doffe -e decoderen. Zinnetjes |
1.2.GL1.20 | De leerlingen kunnen tweelettergrepige woorden met achteraan -en, -er, -el decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.22 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met achteraan -d, -b decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.23 | De leerlingen kunnen eenlettergrepige woorden met -uw decoderen. Woord bij plaatje, Welk woord hoor je?, Flitslezen |
1.2.GL1.29 deels | De leerlingen kunnen een voor hen bestemde tekst accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen). Flitslezen, Zinnetjes |
| Tekstbegrip | |
1.2.GL1.32 deels | De leerlingen kunnen met ondersteuning expliciet vermelde informatie uit (voor)gelezen teksten weergeven. Zinnetjes |
| Handschrift en digitale vaardigheden | |
1.3.GL1.4 deels | De leerlingen kunnen cijfers en rekentekens, volgens een correcte route, schrijven binnen een volledige liniatuur. Cijfers schrijven |
1.3.GL1.5 deels | De leerlingen kunnen kleine letters en leestekens, volgens een correcte route, schrijven binnen een volledige liniatuur. Trek de letter over, Schrijf de letter drie keer |
| Correct schrijven | |
1.3.GL1.13 deels | De leerlingen kunnen eenlettergrepige klankzuivere woorden van het type medeklinker- gedekte of vrije klinker/tweetekenklank-medeklinker spellen. Bouw het woord |
1.3.GL1.14 deels | De leerlingen kunnen eenlettergrepige klankzuivere woorden van het type gedekte of vrije klinker/tweetekenklank-medeklinker spellen. Bouw het woord |
| Taalsysteem (klanken, spelling, grammatica) | |
1.5.GL1.4 | De leerlingen kunnen het verschil horen tussen korte en lange klinkers in paren. Kort of lang? |
1.5.GL1.5 | De leerlingen kennen spelling: klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe. Welke letter hoor je?, Letter en plaatje, Zoek de letter, Bouw het woord |
| Classificatie van organismen | |
|---|---|
3.1.GL1.1 | De leerlingen kunnen planten beschrijven op basis van kenmerken: bouw. Planten |
3.1.GL1.2 | De leerlingen kunnen zoogdieren beschrijven op basis van kenmerken: bouw. Fauna en flora |
3.1.GL1.3 | De leerlingen kunnen vissen beschrijven op basis van kenmerken: bouw. Fauna en flora |
3.1.GL1.4 | De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de zoogdieren, de vissen; de flora Fauna en flora |
| Ontwikkeling en voortplanting van organismen | |
3.1.GL1.5 deels | De leerlingen kennen de levenscyclus van zoogdieren. Fauna en flora |
| Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving | |
3.2.GL1.1 deels | De leerlingen kennen het volgende begrip: het sorteren. Afval sorteren, Blokken sorteren |
3.2.GL1.4 | De leerlingen kennen deze categorieën: restafval, PMD, papier en karton, groenafval. Afval sorteren |
3.2.GL1.5 | De leerlingen kunnen afval sorteren in deze categorieën: restafval, PMD, papier en karton, groenafval. Afval sorteren |
| Bouw van organismen | |
3.2.GL1.7 deels | De leerlingen kennen het volgende begrip: de wervelkolom. Fauna en flora |
3.2.GL1.8 | De leerlingen kennen de volgende begrippen: de stam, de vrucht, het zaad. Planten |
| Energiebronnen en voedingsstoffen | |
3.2.GL1.13 | De leerlingen kennen verschillende voedingsmiddelen. Gezond eten |
3.2.GL1.14 | De leerlingen kunnen voedingsmiddelen indelen in gezond en ongezond. Gezond eten |
| Energie en warmte | |
3.5.GL1.1 | De leerlingen kennen het volgende begrip: de temperatuur. Hoeveel graden is het? |
| Verkeersregels | |
|---|---|
9-1.1.GL1.1 | De leerlingen kunnen de stopstreep herkennen. Verkeer |
9-1.1.GL1.2 | De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: auditieve signalen: fietsbel, claxon; Verkeer |
9-1.1.GL1.3 deels | De leerlingen kennen de betekenis van volgende verkeersregels en signalen: bel- en lichtsignalen van hulpdiensten (brandweer, ambulance, politie); Verkeer |
9-1.1.GL1.4 | De leerlingen kunnen gebodsborden, waaronder D1, D7, D10, D11, herkennen. Verkeer |
9-1.1.GL1.5 | De leerlingen kunnen verbodsborden, waaronder C3, C11, C19, herkennen. Verkeer |
9-1.1.GL1.6 deels | De leerlingen kunnen het bord B5 benoemen: stopbord. Verkeer |
| Gezonde voeding | |
9-1.2.GL1.1 | De leerlingen kennen het begrip: de peulvruchten. Gezond eten |
9-1.2.GL1.2 | De leerlingen kennen de begrippen: de oliën en de vetten. Gezond eten |
9-1.2.GL1.3 | De leerlingen kunnen met behulp van de voedingsdriehoek voedingsmiddelen identificeren die gezond zijn. Gezond eten |
9-1.2.GL1.4 deels | De leerlingen kunnen met behulp van de voedingsdriehoek voedingsmiddelen identificeren die ongezond zijn. Gezond eten |
9-1.2.GL1.10 | De leerlingen kennen het begrip: de zaden. Gezond eten |
| Weer en klimaat | |
|---|---|
4.2.GL1.7 deels | De leerlingen weten dat het weer beschreven wordt op basis van kenmerken van de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind. Het weer van vandaag, Hoeveel graden is het? |
| Principes van computationeel denken | |
|---|---|
8.1.GL1.4 | De leerlingen kunnen onder begeleiding de principes van computationeel denken toepassen om een lineair algoritme te ontwerpen, testen en debuggen om tot een werkende oplossing te komen: algoritme, sequentie. Robotje |
Zie je een doel dat volgens jou ontbreekt of te ruim gelezen is? Laat het ons weten via hallo@klaskrak.app. Bij elke nieuwe versie van de app werken we deze lijst bij.