Thuis oefenen › Rekenen
Rekenen met geld: zo oefen je thuis
In het eerste leerjaar leert je kind de munten van 1 en 2 euro en de briefjes van 5, 10 en 20 euro kennen. Het legt er een bedrag mee, betaalt precies, rekent uit wat twee dingen samen kosten en hoeveel het terugkrijgt. Altijd in hele euro's: de centen komen pas later.
Bijgewerkt op 5 oktober 2026
Wat je kind in de klas leert
- Het geld kennen. Twee munten en drie briefjes: 1 en 2 euro, en 5, 10 en 20 euro. Het briefje van 50 en de centen horen er in het eerste leerjaar nog niet bij.
- Een bedrag leggen. 8 euro kan met een briefje van 5, een munt van 2 en een munt van 1, maar ook met vier munten van 2. Elke manier is goed, zolang het samen 8 euro is.
- Wisselen. Een briefje van 10 is evenveel als twee briefjes van 5. Een briefje van 5 is evenveel als twee munten van 2 en een munt van 1.
- Samen kosten. Een appel van 2 euro en een schrift van 3 euro kosten samen 5 euro. Dat is gewoon een plus-som, met ronde prijzen.
- Betalen en teruggeven. Precies betalen, tot op 1 euro. En wie 7 euro betaalt met een briefje van 10, krijgt 3 euro terug: je telt verder van 7 tot 10.
- Het teken €. Op een prijskaartje staat € 8. Je kind leest dat als "8 euro".
In het leerplan Op.stap: 2.3.GL1.27 (de munten van 1 en 2 euro en de briefjes van 5, 10 en 20 euro), 2.3.GL1.28 (betalen, wisselen en teruggeven tot op 1 euro), 2.3.GL1.29 (een bedrag leggen), 2.3.GL1.30 (de totaalprijs met ronde prijzen) en 2.3.GL1.31 (het teken €).
Zo oefen je thuis, zonder scherm
-
Neem echt geld
Leg een paar munten van 1 en 2 euro op tafel, en een briefje van 5 of 10. Laat je kind ze vastnemen, vergelijken en sorteren. Wie het echte geld kent, herkent het ook in de winkel.
-
Speel winkeltje
Een paar dingen uit de keuken met een prijskaartje: de appel € 2, de koekjes € 3, het potlood € 1. Je kind betaalt, jij bent de winkelier. Wissel daarna van rol.
-
Leg één bedrag op veel manieren
"Leg 6 euro." En dan: "Kan het ook anders?" Met een briefje van 5 en een munt van 1, met drie munten van 2, met zes munten van 1. Zo ziet je kind dat het om de waarde gaat, niet om het aantal stukken.
-
Laat je kind teruggeven
Betaal zelf met een briefje van 10 voor iets van 7 euro. Je kind telt verder: "7, en dan 8, 9, 10." Bij elke tel legt het een munt van 1. Die drie munten zijn wat je terugkrijgt.
-
Laat je kind betalen in de echte winkel
Een brood, een ijsje, iets bij de bakker: laat je kind het geld geven en het wisselgeld nakijken. Kies iets met een ronde prijs, dan gaat het zonder centen.
Waar kinderen vaak op vastlopen
- Stukken tellen in plaats van euro's. Drie munten van 1 lijken meer dan één briefje van 5, want het zijn er meer. Laat je kind bij elk stuk de waarde zeggen en verder tellen: "5, 6, 7."
- Munt en briefje door elkaar. Een munt van 2 euro is meer waard dan een munt van 1, maar een briefje van 5 is meer waard dan allebei. Groter betekent niet altijd meer: kijk naar het getal.
- Teruggeven als min-som. 10 − 7 uitrekenen lukt niet altijd. Aanvullen wel: "7 en hoeveel is 10?" Zo doet de winkelier het ook.
- Een bedrag niet precies leggen. Wie te veel legt, heeft niet precies betaald. Laat je kind na het leggen altijd nog eens tellen.
Gratis werkblad: rekenen met geld
Vier oefeningen op één blad: tellen hoeveel geld er ligt, een bedrag leggen, uitrekenen wat twee dingen samen kosten, en hoeveel je terugkrijgt. Met de munten van 1 en 2 euro en de briefjes van 5, 10 en 20 euro.
Download het werkblad (pdf) Eén blad A4, gratis en zonder inschrijving. Vrij te kopiëren voor thuis en in de klas.Zo oefent KlasKrak het
In het blok Rekenen staan twee spelletjes met geld. In Hoeveel geld? telt je kind munten en briefjes, legt het een bedrag in een bakje en wisselt het een briefje in kleiner geld. Elk stuk zegt zijn waarde als het in het bakje gaat. In het Winkeltje betaalt je kind precies, rekent het uit wat twee dingen samen kosten, en hoeveel het terugkrijgt.
Het geld groeit mee met de instelling voor rekenen: tot 5 alleen de munten en het briefje van 5, tot 10 komt het briefje van 10 erbij, tot 20 dat van 20. Na een fout hoort je kind de oplossing, bij teruggeven door aan te vullen: "7 euro en 3 euro is 10 euro." Leg er gerust echte muntjes en briefjes bij. De geldspelletjes probeer je twee rondes gratis uit.
Vragen van ouders
Waarom geen centen?
Omdat het leerplan in het eerste leerjaar stopt bij hele euro's, en bij de munten en briefjes tot 20 euro. Zo blijven de bedragen bij de getallen die je kind al kent. De centen en het briefje van 50 komen in de jaren daarna.
Mijn kind ziet bijna nooit cash. Is dit nog nodig?
Ja. Met munten en briefjes zie je wat een bedrag is: je kan het vastnemen, splitsen en tellen. Dat helpt bij rekenen, ook als er later vooral met een kaart betaald wordt. Laat je kind gerust eens zelf betalen in de winkel.
Hoe hangt dit samen met splitsen?
Heel sterk. Wie weet dat 5 hetzelfde is als 2 en 2 en 1, kan wisselen. En wie weet dat 7 en 3 samen 10 zijn, kan teruggeven van 10. Lees ook de gids over splitsen.
Meer gidsen: plus en min tot 20, splitsen tot 10 en 20 en alle gidsen.
KlasKrak