KlasKrak

Thuis oefenen › Wereld

Verkeer in het eerste leerjaar: zo oefen je thuis

In het eerste leerjaar leert je kind het stopbord en de stopstreep herkennen, en een handvol borden voor voetgangers en fietsers. Het weet wat een fietsbel en een claxon betekenen, en wat er gebeurt als een hulpdienst aankomt met blauw zwaailicht en sirene. En het oefent veilig stappen en oversteken, altijd samen met een volwassene.

Bijgewerkt op 21 oktober 2026

Wat je kind in de klas leert

  • Het stopbord. Een rood bord met acht hoeken en het woord STOP. Je kind kan het bij naam noemen: het stopbord. Het betekent: stoppen en de anderen voorlaten. In de wegcode heet het "Stoppen en voorrang verlenen".
  • De stopstreep. Een doorlopende witte streep dwars over de rijstrook, net voor een kruispunt. Daar stopt een bestuurder bij een stopbord of een verkeerslicht. Het is iets anders dan het zebrapad, dat uit brede witte banden bestaat.
  • Vier gebodsborden. Rond en blauw, met een wit tekeningetje: "hier moet ik". Een pijl (volg de pijl), een fiets (verplicht fietspad), een volwassene met een kind en daaronder een fiets (voor voetgangers en fietsers samen), en alleen een volwassene met een kind (verplichte weg voor voetgangers).
  • Drie verbodsborden. Rond en wit, met een rode rand: "hier mag ik niet". Helemaal leeg (verboden toegang voor iedere bestuurder, in beide richtingen), met een zwarte fiets (verboden voor fietsers), en met een zwarte voetganger (verboden voor voetgangers).
  • De fietsbel en de claxon. Allebei betekenen ze: opgelet, hier komt iemand aan. De wegcode laat ze alleen toe als waarschuwing, om een ongeval te voorkomen. Een claxon is dus geen teken dat iemand boos is.
  • De hulpdiensten. De brandweer, de ziekenwagen en de politie. Met blauwe knipperlichten en een sirene zijn ze op weg naar iets dringends. Iedereen moet dan de weg vrijmaken en ze voorlaten, en zo'n wagen mag door het rode licht rijden.
  • Veilig te voet, onder begeleiding. Stoppen aan de stoeprand, oogcontact maken met de bestuurder, afstand houden van grote voertuigen, opvallende kleren dragen. En weten dat een bestuurder je niet altijd ziet.

In het leerplan Op.stap: 9-1.1.GL1.1 (de stopstreep herkennen), 9-1.1.GL1.2 (de betekenis van de fietsbel en de claxon), 9-1.1.GL1.3 (de bel- en lichtsignalen van de brandweer, de ambulance en de politie), 9-1.1.GL1.4 (gebodsborden herkennen, waaronder D1, D7, D10 en D11), 9-1.1.GL1.5 (verbodsborden herkennen, waaronder C3, C11 en C19), 9-1.1.GL1.6 (het bord B5 benoemen: stopbord), 9-1.1.GL1.7 en 9-1.1.GL1.8 (als voetganger onder begeleiding veilig verkeersgedrag toepassen) en 9-1.1.GL1.9 (weten dat je als voetganger niet altijd zichtbaar bent).

De betekenis van de borden en de regels komen uit de wegcode: artikel 33.2 (fietsbel en claxon), 37 en 38 (prioritaire voertuigen), 42.4 (voetgangers die oversteken), 67 tot 69 (de borden) en 76.1 (de stopstreep). De klastaal ("ik moet hier", "ik mag hier niet") komt uit de lesfiches van Verkeer op School van VSV.

Zo oefen je thuis, zonder scherm

  1. Maak van de schoolweg een bordenjacht

    Zoek samen ronde borden. Is hij blauw, dan zegt je kind "hier moet ik". Heeft hij een rode rand, dan zegt het "hier mag ik niet". Vraag daarna wat het tekeningetje is: een fiets, een voetganger, een pijl. Zo komt het bord in twee stappen: eerst de soort, dan voor wie.

  2. Tel de hoeken van het stopbord

    Staat er een stopbord in je buurt, tel dan samen de acht hoeken. Kijk daarna op de grond: daar ligt de stopstreep, een witte streep dwars over de weg. "Hier moet de auto stoppen, en ook de fietser."

  3. Laat je kind hardop oversteken

    Aan een zebrapad met lichten zegt je kind wat het doet: "Ik stop aan de rand. Ik kijk naar het licht. Ik steek over." Hand in hand, en jij beslist mee. Bij groen kijkt het nog eens links en rechts, want een auto die afslaat, kan er nog door.

  4. Luister samen naar de straat

    Hoor je een fietsbel of een claxon, vraag dan wat die wil zeggen: "Opgelet, hier komt iemand." Hoor je een sirene, blijf dan samen op het voetpad staan en zoek het blauwe zwaailicht. Is het de brandweer, de ziekenwagen of de politie?

  5. Zie je de bestuurder?

    Laat je kind naast een geparkeerde auto of een bestelwagen staan en vraag of het de bestuurder kan zien. Zie je zijn ogen niet, dan ziet hij jou ook niet. Een fluohesje of opvallende jas helpt, zeker in de winter.

Waar kinderen vaak op vastlopen

  • Alleen naar het tekeningetje kijken. De fiets op een blauw bord betekent "hier moeten fietsers rijden". Dezelfde fiets in een rode rand betekent "fietsers mogen hier niet in". Laat je kind altijd eerst de rand en de kleur noemen.
  • Rood is altijd stop. Het stopbord is rood, maar het lege bord met de rode rand is geen stopbord: daar mag geen enkel voertuig in. Het stopbord herken je aan de acht hoeken en het woord STOP.
  • Stopstreep en zebrapad door elkaar. Allebei wit, allebei dwars over de weg. Het zebrapad heeft brede banden en is voor voetgangers. De stopstreep is één doorlopende streep, en daar stopt de bestuurder.
  • De twee borden met een voetganger en een kind. Staat er ook een fiets op, dan is het weg voor voetgangers en fietsers samen. Zonder fiets is het alleen voor voetgangers.
  • Groen is altijd veilig. Ook bij groen kijkt je kind links en rechts. En komt er een hulpdienst aan met zwaailicht en sirene, dan wacht het tot de wagen voorbij is, ook als het licht groen is.
  • Denken dat de bestuurder je ziet. Een kind van zes is klein. Achter een geparkeerde auto of naast een vrachtwagen ziet de bestuurder het vaak niet. Daarom: stoppen aan de rand en oogcontact zoeken.

Gratis werkblad: verkeer

Vier oefeningen op één blad: bij zes borden kiezen of je iets moet of niet mag, vier borden verbinden met wat ze zeggen, de stopstreep kleuren op een kruispunt, en kiezen of je wacht of oversteekt aan een voetgangerslicht. De borden zijn de officiële Belgische tekeningen.

Download het werkblad (pdf) Eén blad A4, gratis en zonder inschrijving. Vrij te kopiëren voor thuis en in de klas.

Zo oefent KlasKrak het

Het hoofdmenu van KlasKrak. Het blok Wereld, met het spel Verkeer, staat verder naar onder

In het blok Wereld staat het spel Verkeer. Een ronde heeft tien vragen, door elkaar. Vijf keer hoort je kind wat een bord zegt, bijvoorbeeld "Fietsers mogen hier niet in.", en kiest het uit vier borden. Het bord met hetzelfde tekeningetje maar de omgekeerde betekenis staat er altijd tussen. Zo moet je kind naar de rand en de kleur kijken. De borden zijn de officiële Belgische tekeningen.

Verder tikt je kind het stopbord aan, en de stopstreep op een kruispunt. Het hoort een echte fietsbel en een claxon en kiest wat ze betekenen. En het tikt de brandweer, de ziekenwagen of de politie aan, of beslist aan een voetgangerslicht of het mag oversteken, soms met een hulpwagen die aankomt. Na een fout hoort je kind wat het juiste antwoord betekent, en één keer hoe je de soort herkent: "Een rode rand: dat mag niet." Een sirene laat de app niet horen. Het spel probeer je twee rondes gratis uit.

Download KlasKrak in de App Store Ontdek KlasKrak op Google Play

Vragen van ouders

Welke verkeersborden moet een kind van het eerste leerjaar kennen?

Volgens Op.stap het stopbord (B5), de gebodsborden D1, D7, D10 en D11 en de verbodsborden C3, C11 en C19. Het leerplan zegt "waaronder": de klas mag er meer bekijken. Het lesmateriaal van VSV voor de eerste graad toont bijvoorbeeld ook de driehoekige "pas op"-borden en het blauwe bord voor een oversteekplaats. In het tweede leerjaar komen dezelfde gebods- en verbodsborden terug, dan met de nadruk op wat ze betekenen.

Mag mijn kind van zes al alleen oversteken?

Het leerplan van het eerste leerjaar spreekt altijd van "onder begeleiding": je kind oefent met een volwassene erbij. Hoe je oversteekt waar geen zebrapad of licht is, komt in het tweede leerjaar: een overzichtelijke plek kiezen, stoppen aan de rand, links, rechts en links kijken, oogcontact maken en in één keer recht oversteken. Ligt er binnen ongeveer 20 meter een zebrapad, dan moet je dat volgens de wegcode gebruiken.

Wat is het verschil tussen een stopstreep en haaientanden?

De stopstreep hoort bij een stopbord of een verkeerslicht. Bij een stopbord stopt een bestuurder er altijd, ook als er niemand aankomt. Bij een verkeerslicht stopt hij er als het licht hem dat zegt. Haaientanden, een rij witte driehoeken, horen bij het bord met de omgekeerde driehoek: daar stop je alleen als het nodig is om voorrang te geven. Zo staat het in de wegcode, artikel 76. In het eerste leerjaar is alleen de stopstreep een doel.

Moet mijn kind het noodnummer 112 kennen?

Ja, het leerplan vraagt dat je kind 112 herkent op een kaart of blad met noodnummers (Op.stap 9-1.2.GL1.7). Met 112 bel je de brandweer of de ziekenwagen. Voor dringende politiehulp kan je ook 101 bellen, zegt vlaanderen.be. Hang de nummers thuis op een zichtbare plek, zoals ze in de klas ook uithangen.

Meer gidsen: afval sorteren, gezond eten, klok leren kijken en alle gidsen.