Thuis oefenen › Rekenen
Getallen tot 20: zo oefen je thuis
In het eerste leerjaar leert je kind de getallen tot 20 echt kennen. Het telt verder en terug, ziet zonder tellen hoeveel stippen er op een dobbelsteen staan, weet dat 14 een tiental en vier eenheden is, vergelijkt twee getallen met =, < of >, en zet een getal op de juiste plaats op een getallenas. Dat is de basis voor alle sommen die erna komen.
Bijgewerkt op 21 oktober 2026
Wat je kind in de klas leert
- Tellen, verder tellen en terugtellen. Niet alleen van 1 tot 20, maar ook verder vanaf een getal ("8, 9, 10, 11") en terug ("15, 14, 13"). De telrij opzeggen gaat al verder: tot 100.
- Telwoord, getal en aantal. Je kind hoort "zeventien", schrijft 17 en weet hoeveel dat is. Het leert ook het verschil tussen een cijfer (de tekens 0 tot en met 9) en een getal: 17 is één getal met twee cijfers.
- Getalbeelden tot 10 in één oogopslag. De ogen van een dobbelsteen, opgestoken vingers, stippen in een raster van twee keer vijf (een tienveld, zoals een eierdoos) of kralen op een rekenrek. Je kind ziet meteen dat het er zeven zijn, zonder te tellen. Tot 20 leert het die beelden herkennen en gebruiken: een vol tienveld en nog drie is 13.
- Tiental en eenheden. 14 is één tiental en vier eenheden. In de klas tonen ze dat met een staaf van tien blokjes en vier losse blokjes, en met een tabel met T (tientallen) en E (eenheden). Het tiental schrijf je eerst. En de plaats van een cijfer telt: de 2 in 12 is twee eenheden, de 2 in 20 is twee tientallen.
- Vergelijken. Eerst met dingen: waar zijn er meer, waar minder, of zijn er evenveel? Daarna met getallen en tekens: 7 > 4 (7 is groter dan 4), 4 < 7 (4 is kleiner dan 7), 5 = 5 (5 is gelijk aan 5) en 5 ≠ 6 (5 is niet gelijk aan 6). Veel klassen vertellen erbij dat het teken de bek van een krokodil is, die altijd naar het grootste getal hapt.
- De getallenas. Een lijn met streepjes op gelijke afstand en de getallen op volgorde. Je kind zoekt welk getal ontbreekt en waar een getal staat: 7 staat tussen 6 en 8, en dichter bij 10 dan bij 0.
In het leerplan Op.stap: 2.1.GL1.14 (tot 20 tellen, doortellen en terugtellen), 2.1.GL1.24 (de telrij tot 100 opzeggen), 2.1.GL1.4, 2.1.GL1.10 en 2.1.GL1.12 (cijfer en getal; telwoord, getal en aantal; getallen tot 20 lezen en schrijven), 2.1.GL1.19 en 2.1.GL1.21 (getalbeelden tot 10 paraat, tot 20 herkennen en gebruiken), 2.1.GL1.1, 2.1.GL1.6 tot 2.1.GL1.9 en 2.1.GL1.23 (tiental en eenheden, het tiental eerst), 2.1.GL1.2, 2.1.GL1.13 en 2.1.GL1.17 (vergelijken en de tekens =, ≠, < en >), en 2.1.GL1.3 en 2.1.GL1.18 (getallen vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas).
Zo oefen je thuis, zonder scherm
-
Tel onderweg, ook terug
Tel de treden van de trap, de lantaarnpalen of de auto's voor het rode licht. Begin eens bij 8 in plaats van bij 1: "8, 9, 10, 11, 12." En tel terug zoals bij een raket: "20, 19, 18 … 0." Terugtellen is moeilijker dan het lijkt, en net daarom de moeite waard.
-
Flits een getalbeeld
Toon een dobbelsteen, een aantal vingers of een eierdoos met een paar knikkers erin, en dek het na twee seconden weer af. "Hoeveel zag je?" Wie te kort kijkt om te tellen, leert het beeld herkennen. Vraag daarna: "Hoe wist je dat?" Een goed antwoord is "een volle hand en nog twee".
-
Bundel per tien
Maak met een elastiekje bundels van tien ijsstokjes of rietjes. 16 is dan één bundel en zes losse. Laat je kind zelf tien losse samenbinden: tien eenheden worden één tiental. Schrijf het daarna in een tabel met T en E, het tiental links.
-
Speel krokodil met kaartjes
Schrijf de getallen 0 tot 20 op kaartjes en trek er twee. Je kind legt er een kaartje met <, > of = tussen en leest de zin hardop: "12 is groter dan 9." De krokodil hapt naar het grootste getal. Bij twee gelijke kaartjes past =.
-
Hang een getallenas op
Span een touw en hang er met wasknijpers kaartjes van 0 tot 20 aan, op gelijke afstand. Draai er een paar om: welk getal staat daar? Of haal ze er allemaal af en laat je kind 13 meteen op de juiste plaats hangen. Weet het dat 13 net na 10 komt, dan kijkt het naar de 10 en telt het niet vanaf 0.
Waar kinderen vaak op vastlopen
- 41 schrijven als je veertien zegt. In het Nederlands hoor je de vier eerst, en dus schrijven veel kinderen eerst de 4. Zeg erbij: "veertien is tien en vier, en het tiental schrijf je eerst." Een bundel van tien met vier losse ernaast helpt.
- Van tien naar elf. Tot tien loopt het tellen vlot, maar bij "tien, elf, twaalf" en zeker bij terugtellen over de tien ("twaalf, elf, tien, negen") haperen kinderen. Oefen juist dat stukje.
- Blijven tellen bij getalbeelden. Wie bij elk beeld de stippen één voor één telt, kent het beeld nog niet. Begin met de dobbelsteen van 1 tot 6, en toon het beeld kort, zodat tellen niet lukt.
- Groter verwarren met meer. Vijf grote ballen lijken meer dan acht knikkers. En een rij knikkers lijkt langer als je ze verder uit elkaar legt, terwijl er evenveel blijven. Leg twee rijen naast elkaar en maak paartjes: wie overblijft, hoort bij de rij met meer.
- Het teken omgekeerd. < en > lijken op elkaar. De krokodil helpt, maar laat je kind de zin ook altijd van links naar rechts lezen: 4 < 7 is "4 is kleiner dan 7". De open kant staat bij het grootste getal, de punt bij het kleinste.
Gratis werkblad: getallen tot 20
Vier oefeningen op één blad: getalbeelden met een dobbelsteen en een tienveld, tiental en eenheden met staven en blokjes, het juiste teken tussen twee getallen (=, < of >), en de ontbrekende getallen op een getallenas van 0 tot 20.
Download het werkblad (pdf) Eén blad A4, gratis en zonder inschrijving. Vrij te kopiëren voor thuis en in de klas.Zo oefent KlasKrak het
In het blok Rekenen staan vijf spelletjes over getallen. In Hoeveel zie je? verschijnt twee seconden een getalbeeld: stippen per twee, een dobbelsteen, vingers of een eierdoos van tien. Daarna kiest je kind het getal. Met "Nog eens kijken" mag het opnieuw kijken, want het gaat om zien, niet om snel zijn. Soms hoort het een getal en zoekt het het beeld dat erbij hoort.
In Tientallen en eenheden kiest je kind hoeveel een staaf en losse blokjes in een T|E-tabel zijn, bouwt het zelf een getal, tikt het tien losse blokjes aan die samen een staaf worden, en schrijft het een getal dat het hoort. Begint het met de eenheid, dan hoort het "Het tiental schrijf je eerst." Dit spel speelt vanaf de instelling rekenen tot 20.
In Krokodil kiest je kind <, > of = tussen twee getallen of twee hoeveelheden. Tot zes liggen de dingen soms los, meer dan zes staan altijd in een tienveld, zodat je kind vergelijkt in plaats van telt. In Getallenlijn zoekt het welk getal ontbreekt en tikt het aan waar een getal staat. Na elk antwoord hoort het de zin, zoals "7 is groter dan 4" of "7 staat tussen 6 en 8". In De hoeveelste? staan dieren in de rij aan een ijskraam, en tikt het bijvoorbeeld de zeventiende aan, of er zeventien: tot de twintigste.
Jij kiest of je kind rekent tot 5, tot 10 of tot 20. Deze spelletjes probeer je twee rondes gratis uit.
Vragen van ouders
Tot hoever moet mijn kind kunnen tellen in het eerste leerjaar?
Rekenen, lezen en schrijven gaat tot 20. De telrij opzeggen gaat verder: tot 100. Getallen tot 100 lezen, schrijven en op een getallenas zetten komt in het tweede leerjaar.
Waarom getalbeelden leren als mijn kind toch kan tellen?
Omdat tellen traag is en fouten geeft. Wie meteen ziet dat een vol tienveld en nog drie 13 is, of dat zeven vingers een volle hand en nog twee zijn, heeft dat beeld straks nodig bij splitsen en bij sommen over het tiental. Het leerplan vraagt dat je kind de getalbeelden tot 10 uit het hoofd kent.
Mijn kind schrijft 41 als ik veertien zeg. Is dat erg?
Het is heel gewoon, want je hoort de vier eerst. Maar het is wel iets om recht te zetten: in een getal schrijf je het tiental eerst, en 41 is een heel ander getal. Laat je kind veertien leggen met een bundel van tien en vier losse, en het daarna schrijven: eerst de 1 van het tiental, dan de 4.
Hoe leg ik het verschil tussen < en > uit?
Met de krokodil: zijn bek staat altijd open naar het grootste getal, want hij wil zoveel mogelijk eten. Bij 9 en 5 schrijf je dus 9 > 5. Lees het daarna hardop van links naar rechts: "9 is groter dan 5." Zo leert je kind ook de woorden die bij het teken horen.
Meer gidsen: splitsen tot 10 en 20, plus en min tot 20, rekenen met geld en alle gidsen.
KlasKrak