Thuis oefenen › Rekenen
Patronen: zo oefen je thuis
Een patroon is een rij die zich aan een vaste regel houdt. In "cirkel, cirkel, driehoek, cirkel, cirkel, driehoek" komt telkens hetzelfde stukje terug: dat stukje heet de patrooneenheid. In het eerste leerjaar leert je kind patronen met figuren namaken, verderzetten en opvullen, de patrooneenheid aanwijzen, en zien hoe een patroon groeit.
Bijgewerkt op 21 oktober 2026
Wat je kind in de klas leert
- Herhalend of veranderend. In een herhalend patroon komt steeds hetzelfde terug: rood, blauw, rood, blauw. In een veranderend patroon verandert er telkens iets op dezelfde manier: torentjes van 1, 2 en 3 blokjes, en dan een van 4.
- De patrooneenheid. Het stukje dat je herhaalt om het hele patroon te maken. Bij cirkel, cirkel, driehoek, cirkel, cirkel, driehoek is dat "cirkel, cirkel, driehoek". Je kind leert dat stukje aanwijzen en benoemen.
- Namaken. Een patroon dat er ligt, figuur per figuur kopiëren met eigen blokjes of vormen.
- Verderzetten. Bedenken wat er na het laatste figuur komt, en het volgende en het volgende.
- Opvullen. Er ontbreekt een figuur in het midden van het patroon. Je kind zoekt welk figuur op de lege plek hoort.
- De verandering zien en zelf toepassen. Bij een patroon dat groeit, zegt je kind wat er verandert ("er komen er telkens twee bij") en tekent of bouwt het zelf het volgende.
- Met figuren. De patronen zijn gemaakt met de figuren die je kind dit jaar leert: de driehoek, de rechthoek, het vierkant en de cirkel. Soms verandert de vorm, soms de kleur, soms allebei.
In het leerplan Op.stap: 2.4.GL1.4 (de begrippen herhalende en veranderende patronen, de eenheid), 2.4.GL1.10 (herhalende patronen met figuren namaken, verderzetten en opvullen), 2.4.GL1.11 (bij een herhalend patroon de patrooneenheid benoemen), 2.4.GL1.12 (bij een veranderend patroon de verandering herkennen en beschrijven) en 2.4.GL1.13 (een veranderend patroon maken en verderzetten door de verandering zelf toe te passen). De figuren komen uit 2.4.GL1.2 (de driehoek, de rechthoek, het vierkant, de cirkel).
Zo oefen je thuis, zonder scherm
-
Leg een patroon met wat je in huis hebt
Vork, lepel, vork, lepel. Of blokjes, knopen of doppen in twee kleuren. Leg het patroon minstens twee keer helemaal, en laat je kind verder leggen. Begin met twee dingen om en om. Daarna "twee rode, één blauwe", en later drie verschillende.
-
Zeg het patroon hardop
"Rood, rood, blauw, rood, rood, blauw." Wie het patroon zegt, hoort het terugkomen. Laat je kind meezeggen en met de vinger wijzen. Zo komt het vanzelf bij wat er daarna moet komen.
-
Zoek het stukje dat terugkomt
Vraag: "Met welk stukje kan je dit hele patroon leggen?" Laat je kind een streepje of een boogje zetten na elk stukje: ●●▲ | ●●▲ | ●●▲. Dat stukje is de patrooneenheid.
-
Verstop er eentje
Leg een patroon, laat je kind de ogen sluiten en neem één ding weg uit het midden. Wat ontbreekt er? Daarna wissel je: jij sluit je ogen.
-
Bouw torentjes die groeien
Torentjes van 1, 2 en 3 blokjes naast elkaar. "Hoe ziet het volgende eruit?" En: "Hoeveel komen er telkens bij?" Maak het daarna moeilijker met torentjes van 1, 3 en 5: daar komen er telkens twee bij.
-
Laat je kind er zelf een bedenken
Nu zet jij het verder, en maak je af en toe met opzet een fout. Kan je kind uitleggen wat er niet klopt? Dan heeft het de regel echt door.
Waar kinderen vaak op vastlopen
- Te weinig van het patroon zien. Na "cirkel, vierkant" kan er van alles komen. Een patroon ken je pas als de patrooneenheid minstens twee keer helemaal in de rij staat. Leg ze thuis dus altijd minstens twee keer.
- Een stuk dat terugkomt, maar niet de eenheid is. In ●●▲●●▲●●▲ komt ●● ook telkens terug, maar daarmee leg je het patroon niet. De vraag "met welk stukje kan je het hele patroon leggen?" helpt je kind om ●●▲ te vinden.
- Alleen naar het laatste figuur kijken. Na twee cirkels denkt een kind al snel aan nog een cirkel. Laat het het patroon van vooraf hardop zeggen, dan hoort het dat er na twee cirkels een driehoek komt.
- Maar op één ding letten. In een rij van een rode driehoek, een blauwe cirkel, een rode driehoek ... verandert de vorm én de kleur. Bij namaken let een kind soms alleen op de vorm. Vraag: "Is het dezelfde vorm? En dezelfde kleur?"
- Bij groeien gewoon één blokje bijleggen. Bij torentjes van 1, 3 en 5 bouwen kinderen graag een torentje van 6, of nog eens een van 5. Laat je kind eerst tellen hoeveel er telkens bij komen.
Gratis werkblad: patronen
Vier oefeningen op één blad: een patroon verderzetten, de lege plek opvullen, de patrooneenheid omcirkelen, en het volgende torentje tekenen van een patroon dat groeit. Met de driehoek, de rechthoek, het vierkant en de cirkel, leeg en vol, zodat het ook in zwart-wit werkt.
Download het werkblad (pdf) Eén blad A4, gratis en zonder inschrijving. Vrij te kopiëren voor thuis en in de klas.Zo oefent KlasKrak het
In het blok Rekenen staat het spelletje Wat komt erna?. De patronen zijn gemaakt met cirkels, driehoeken, vierkanten en rechthoeken in rood, geel en blauw. In een ronde van tien vragen zet je kind drie keer een patroon verder en vult het twee keer een lege plek op. Twee keer kiest het het stukje waarmee je het patroon maakt, en één keer maakt het een patroon na door figuur per figuur te tikken. Twee vragen gaan over torentjes die groeien: welk torentje komt erna, en hoeveel blokjes komen er telkens bij?
Er staat altijd minstens twee keer de hele patrooneenheid in beeld. De eerste vragen van een ronde zijn eenvoudige patronen, zoals cirkel, driehoek of cirkel, cirkel, driehoek; daarna komen er ook drie verschillende figuren en patronen als twee rode, twee blauwe. Na een fout ziet je kind meteen het juiste antwoord op de lege plek. Bij de patrooneenheid schuift de rij na het antwoord uit elkaar in stukjes, en zegt de app: "Dit stukje komt telkens opnieuw. Dat is de patrooneenheid." Bij de torentjes worden de nieuwe blokjes geel. Je probeert het spelletje twee rondes gratis uit.
Vragen van ouders
Waarom leren kinderen patronen bij wiskunde?
Omdat wiskunde vol regelmaat zit. Wie in een rij figuren de regel ziet, ziet die later ook in getallen: in de telrij, bij tellen met sprongen van twee (2, 4, 6, 8) en bij de tafels. Een patroon verderzetten is ook vooruit denken: je voorspelt wat er komt, en je controleert of het klopt.
Wat is het verschil tussen een herhalend en een veranderend patroon?
Een herhalend patroon is telkens hetzelfde stukje opnieuw: vierkant, cirkel, vierkant, cirkel. Een veranderend patroon groeit of krimpt op een vaste manier: een torentje van 2 blokjes, dan van 4, dan van 6. Daar zoek je niet het stukje dat terugkomt, maar wat er telkens verandert.
Moet mijn kind ook patronen met getallen kunnen?
In het eerste leerjaar gaat het in het leerplan om patronen met figuren, zoals cirkels en driehoeken. Tellen met sprongen van twee en vijf staat er als verdieping in. Rijen met getallen zoals 3, 6, 9, 12 komen pas later, als verdieping in het tweede leerjaar.
Mijn kind ziet elk patroon meteen. Hoe maak ik het moeilijker?
Maak de patrooneenheid langer (twee rode, twee blauwe, of drie verschillende figuren), laat vorm en kleur samen veranderen, of haal een stuk uit het midden in plaats van op het einde. Of laat je kind zelf een patroon bedenken en het met woorden uitleggen aan iemand die het niet gezien heeft.
Meer gidsen: getallen tot 20, splitsen tot 10 en 20, plus en min tot 20 en alle gidsen.
KlasKrak